ICM voor beginners deel 3: nabewerking, creatieve accenten en van scherm naar print

ICM voor beginners (3/3) nabewerking en print

Redactie digifoto Starter 605

Deel 3 van een driedelige serie over ICM

Je kent het moment. Je komt thuis na een sessie in het veld – zee, bos, stad of kermislicht – en je hoofd zit nog vol kleurbanen. Je zet een kop thee, klapt je laptop open en laadt je beelden in. Op het eerste gezicht lijken sommige foto’s misschien “zacht” of “vlak”, maar je voelt: hier zit iets in. Een veeg die precies ademt. Een ritme dat klopt. Een kleur die meer zegt dan scherpte ooit kan.

In deel 2 werd het: adem → tempo → lijn. Nu wordt het: lijn → leesbaarheid → sfeer → serie. Nabewerking is bij ICM geen poetsdoek. Het is afstemmen, zoals je een instrument stemt: niet om harder te spelen, maar om zuiverder te laten voelen wat je al maakte. De basis uit deel 1 – loslaten én belichten (sluitertijd, diafragma, ISO en wanneer een ND-filter helpt) – en het ritme uit deel 2 neem je nu mee naar je scherm. In dit laatste deel stem je tonaliteit (licht-donkerbalans), kleur en contrast af, voeg je subtiele accenten toe en maak je je serie klaar voor print én web.

Je gaat het merken: ICM-bewerking is geen wedstrijdje schuiven. Het is luisteren. Welke foto heeft rust? Welke heeft energie? Welke werkt als opener, welke als slot? Als je dat ritme eenmaal ziet, wordt nabewerking verrassend eenvoudig. 

1) Nabewerking is geen reparatie – het is afstemmen

ICM-beelden landen vaak pas echt in de nabewerking. Zie nabewerking niet als “fixen”, maar als het verlengen van je penseelstreek: je maakt de beweging leesbaar, zet sfeer en balans goed, en plaatst daarna pas de accenten. Denk aan muziek: eerst de toon, dan de solo. En altijd: van grof naar fijn. 

Waarom dat nodig is? Omdat een camera vaak probeert “netjes” te zijn. Hij temt contrast, maakt kleuren soms neutraler en laat een abstract beeld sneller wat vlak overkomen. In het veld voelde je die gloed of die koelte al, maar op je scherm moet je die emotie soms een klein zetje geven. Niet met grote schuiven – juist met subtiele keuzes. Kleine schuifjes, groot effect is bij ICM geen slogan, maar een werkwijze.  

Tip: bij ICM is +10 vaak al “veel”. 

Zeker als je in RAW fotografeert (een “ruwe” opname met veel speelruimte), kan je foto in het begin neutraler ogen dan je herinnering. De veeg zit er al in, maar contrast en kleur zijn nog niet “geplaatst”. Met kleine schuifjes trek je de banen los van elkaar en geef je de sfeer terug die je buiten al voelde. 

Waarom dit werkt (in 3 zinnen):
 

  • Kleur stuurt emotie (warm = rust, koel = mysterie). 
  • Contrast maakt ritme zichtbaar (banen komen los van elkaar). 
  • Lokaal sturen leidt het oog (zoals penseelstreken in een schilderij).

2) De workflow in 5 stappen – van ruwe veeg naar leesbaar beeld 

Zie dit als je vaste ritueel. 

Werk per serie, niet per losse foto. ICM is muziek: één beeld kan mooi zijn, maar een reeks met dezelfde toon blijft hangen. 

Elke keer hetzelfde pad, zodat je niet verdwaalt in eindeloze opties. Je hoeft niet alles te kennen; je hoeft alleen te weten welke stap wat doet. (In Lightroom, Capture One of wat je ook gebruikt: dit werkt overal hetzelfde.)

Wil je je complete fotobewerking in één vaste structuur gieten, lees dan Hoe ontwikkel je een fotografie-workflow?

Stap 1 – Selectie & seriegevoel

Je begint niet met “de mooiste foto”, maar met de beste reeks. ICM wordt vaak sterker als je beelden samen één ademhaling delen: dezelfde plek, hetzelfde lichtmoment, dezelfde intentie. Eén beeld kan prachtig zijn, maar een serie maakt er een verhaal van. 

Kijk eerst alsof je door een mini-expositie loopt: nog niet inzoomen, nog niet “technisch” oordelen. Eerst: wat voelt als één toon?

Wat je praktisch doet (en dit mag je gerust rustig lezen als checklist):
 

  • Kies 3 tot 5 variaties die samen één sfeer hebben. 
  • Laat missers gaan, maar wees mild: een “vreemd” beeld kan later juist een brug zijn. 
  • Gooi vooral echte misstappers weg (overbelicht kapot, totaal chaotisch, nul richting/ritme). 
  • Let op ritme: wisselen je beelden prettig af (rust/energie), of voelt het als willekeurig? 

Mini-check: als je deze 3–5 beelden achter elkaar ziet, klinkt het dan als één lied – of als shuffle? 

Tip (en snelle oefening als je nog geen serie hebt): zet je favorieten naast elkaar in een filmstrip. Als je zonder nadenken van links naar rechts “mee kunt ademen”, zit je goed.

Nog geen echte ICM-serie om uit te kiezen? Pak één ICM-beeld en maak 6 mini-varianten (warm/koel, iets lichter/donkerder, iets meer/minder contrast of diverse kleuren). Zet ze naast elkaar alsof het een filmstrip is. Zo leer je meteen waar jouw “toon” zit – nog vóór je aan details gaat sleutelen.

Stap 2 – Basisbalans

Dit is je “licht aan/uit”-moment. Klopt de toon? Is het beeld te donker, te licht, te warm, te koel? Hier leg je het fundament. Als dit niet klopt, voelt alles daarna als trekken en duwen. 

Twee begrippen die starters vaak horen maar zelden echt uitgelegd krijgen:
 

  • Histogram: een grafiekje dat laat zien hoeveel donkere en lichte pixels je foto heeft. Links = donker, rechts = licht.
  • Clipping: als er aan de randen van dat histogram harde pieken tegen de rand zitten, kun je detail kwijt zijn in zwart of wit (bij ICM soms oké, maar liever bewust).

Wat je hier doet:
 

  • Zet witbalans op gevoel (warm voor rust, koel voor mysterie). 
  • Corrigeer belichting subtiel (een klein tikje is vaak genoeg). 
  • Zet zwart- en witpunt zodat het beeld “ademt”: niet grauw, niet dichtgelopen. 

Belangrijk: ICM hoeft niet “helder” te zijn. Donker mag, als het maar klopt met jouw sfeer. 

Stap 3 – Ritme zichtbaar maken (Contrast & Curves)

Hier komt de veeg los van het doek. Zonder detail is ritme soms moeilijk leesbaar; met een beetje contrast krijgen banen en strepen ineens vorm. 

Curves klinkt technisch, maar het is simpel: het is een manier om licht te buigen. Je kunt schaduwen, middentonen en hooglichten apart sturen. Een zachte S-curve (iets donkerder in schaduw, iets lichter in hooglicht) geeft vaak precies dat “popje” dat ICM nodig heeft, zonder hard te worden.

Afbeelding: S-curve afgebeeld voor Intentional Camera Movement (ICM) nabewerking

Wat je hier doet:

  • Contrast heel licht omhoog. 
  • Curves zacht modelleren (liever te weinig dan te veel). 

En dan komt de valkuil voor starters:

Clarity / Dehaze (en soms “Textuur”) kunnen strepen snel kapotmaken. 

  • Clarity verhoogt lokaal contrast in middentonen: dat kan ritme helpen, maar te veel maakt het “zanderig”. 
  • Dehaze haalt “waas” weg: bij ICM kan dat je schildergevoel slopen. 

Vuistregel: als je strepen ineens schurend, hard of korrelig worden, ben je te ver gegaan. 

Stap 4 – Kleurgevoel (HSL / Color Mixer) 

Kleur is je sfeerknop – niet je confetti. ICM kan snel schreeuwen als je te hard aan verzadiging trekt. Deze stap gaat niet over “meer kleur”, maar over mooier kleur

HSL betekent:
 

  • Hue = kleurtoon (groen iets geler, blauw iets meer cyaan). 
  • Saturation = hoe sterk die kleur is. 
  • Luminance = hoe licht of donker die kleur is. 

Die luminance-schuif is goud bij ICM: door bijvoorbeeld oranje nét iets lichter te maken, kunnen “gouden banen” ineens oplichten zonder dat alles feller wordt. 

Wat je hier doet:
 

  • Kies één hoofdtoon met een steuntoon (bijv. groen+geel of blauw+cyaan). 
  • Verschuif kleine beetjes (ICM straft grote sprongen). 
  • Maak kleur rustiger voordat je meer effect zoekt. 

Stap 5 – Lokaal sturen (Masks, Gradients, Radial, vignet)

Dit is het moment waarop je de kijker bij de hand neemt. Niet overal tegelijk, maar op één plek. Je leidt het oog zoals je een penseelstreek plaatst. 

Drie termen, heel simpel:
 

  • Mask / masker: een geselecteerd gebied dat je apart bewerkt. 
  • Linear Gradient: een masker dat van donker naar licht uitvloeit (bijv. van onder naar boven). 
  • Radial: een rond/ovaal masker (handig om een kern rustig te maken).

En een klassieker:

Vignet: subtiel donkerder aan de randen, zodat je blik in beeld blijft. Niet “instagram-donker”, maar nauwelijks merkbaar. 

Wat je hier doet:
 

  • Gebruik een gradient om diepte te maken (bijv. onderkant iets donkerder). 
  • Gebruik radial om een kern rust te geven (bij rotatie/vortex werkt dit prachtig). 
  • Vignet heel subtiel, puur voor focus. 

Eindcheck: kijk even weg, kijk terug. Waar landt je oog als eerste? Als dat klopt, klopt het beeld vaak ineens ook. Wil je nóg bewuster werken met kader en rust in je beeld, lees dan: Onderwerp isoleren in fotografie: zo werkt het.

3) Begrippen in één oogopslag

Even een mini-woordenboekje, zodat je niet hoeft te googelen terwijl je aan het schuiven bent. Je hoeft dit niet te “leren” – zie het als: dit is wat je in normale mensentaal doet. 

Curves – vorm geven aan licht

Een grafiek waarmee je schaduwen, middentonen en hooglichten apart kunt sturen. Met een zachte S-curve maak je je strepen vaak net wat leesbaarder, zonder dat het hard wordt. 

HSL / Color Mixer – per kleur zacht sturen

Je past één kleur tegelijk aan: de tint (Hue), de kracht (Saturation) en de lichtheid (Luminance). Ideaal om bijvoorbeeld groen iets geler te maken of oranje nét wat lichter, zonder dat de hele foto “luider” wordt. 

Gradients (Linear/Radial) – plaatselijke ademruimte

Dit zijn zachte maskers waarmee je lokaal kunt bijsturen. Een Linear Gradient loopt geleidelijk van onder naar boven (fijn voor diepte), een Radial is een ovaal/cirkel (fijn om een kern rust te geven). 

4) Wat doet welke schuif? (starter-proof)

Je hoeft niet elk schuifje te gebruiken. Maar het helpt als je snapt wat ze “doen” in ICM-taal – zodat je niet op goed geluk gaat trekken.
 

  • Witbalans: warm voelt als rust en gloed; koel voelt als afstand en mysterie. Kies niet “correct”, kies “passend”. 
  • Vibrance vs Saturation: Vibrance is veiliger (minder agressief), Saturation is grover (kan snel neon worden). Twijfel je? → Vibrance. 
  • Contrast: maakt ritme leesbaar, maar te veel maakt het hard. 
  • Clarity/Textuur/Dehaze: spaarzaam, want ze kunnen je verfgevoel breken. Als je twijfelt: “0” is vaak de beste keuze. 
  • Grain / korrel: kan analoge rust geven en overgangen verzachten, maar te veel maakt rommel (zeker in egale kleurvlakken). 
  • Sharpening / verscherping: ICM is geen “scherpte-genre”. Verscherp licht of nauwelijks; je wilt geen crispy randen. 
  • Highlights/Shadows: met hooglichten en schaduwen geef je ademruimte terug. Highlights iets zachter kan “hard licht” temmen; shadows héél subtiel openen kan detail/ritme terugbrengen zonder dat het grauw wordt. 

5) Creatieve accenten – als je basis klopt

Als je basis klopt, mag je spelen. Maar altijd: in dienst van ritme. Een effect mag alleen blijven als het het beeld rustiger, rijker of leesbaarder maakt – niet omdat het “kan”.

Canvas- of papierstructuur

Een zachte structuur-overlay kan ICM net wat meer “kunst” geven. Zet ’m laag (5–20%) en kijk of het echt iets toevoegt, niet alleen “effect” is. In Photoshop werkt dit vaak fijn via Overlay of Soft Light met 5–20% dekking (subtiel houden: je wil gevoel, geen filterfeest). 

Heel lichte motion blur (alleen als redmiddel)

Soms kun je met een heel lichte directionele blur een zwakker bestand richting geven. Maar gebruik dit niet als standaard. De mooiste ICM blijft in-camera. 

Crop als compositietool

ICM wordt vaak sterker door wegsnijden. Haal storende hoeken weg, balanceer de veegrichting. Abstract werkt vaak heerlijk in 4:5 (kracht) of panorama (ademruimte). 

Subtiele korrel

Een beetje grain kan je serie samenbinden, vooral als beelden uit verschillende situaties komen. 

6) Mini-case: herfst → schilderij in ±3 minuten

Herfst is ideaal voor ICM: warme bladerkleuren, zachte contrasten en diffuus licht maken je vegen snel schilderachtig, zónder dat het meteen schreeuwerig wordt. Zie dit als je “mini-stappenplan”, maar dan voor de edit. Niet om blind te kopiëren, wél om te voelen hoe klein “een tikje” eigenlijk is.
 

  1. Zet de witbalans op 6500–7000K voor warme gloed. 
  2. Til belichting +0,2–+0,4 als het te donker oogt. 
  3. Verhoog contrast +10–+20 en teken een zachte S-curve in Curves
  4. Clarity max +5 (of liever 0 als je zachtheid wilt houden). 
  5. In HSL: groen iets richting geel en verzadiging iets omlaag; oranje iets lichter voor “gouden strepen”. 
  6. Voeg een Linear Gradient toe van onder naar boven; onderzijde -0,2 EV voor diepte. (EV = belichtingsstap; -0,2 is “een klein tikje donkerder”.) 
  7. Rond af met mini-vignet (-0,2) en Grain 10–15

Noteer wat je deed: instellingen + gevoel. Zo bouw je aan een herhaalbare signatuur. 

Bonus: sla dit op als preset (een bewaarstand van je bewerkingen), maar finetune per beeld. 

7) Van scherm naar print (en web) – zodat je werk echt “af” voelt 

ICM is gemaakt om te hangen. Op papier zie je vaak pas hoe mooi die banen echt zijn – en online wil je dat het rustig en consistent blijft. 

Print: waarom papier je beeld verandert

Wat op scherm zacht is, kan op papier harder binnenkomen – en andersom. Zie print daarom niet als “laatste stap”, maar als extra afstemming. 

Print

  • Mat fine-art papier: zacht, schilderachtig, perfect voor dromerige ICM. 
  • Baryta/halfglans: meer contrast en “pop”, mooi voor stadlicht en sterke kleurbanen. 
  • Maak een proefprint (klein). Papier kan contrast en verzadiging anders laten voelen dan een scherm. 

Praktische tip: voelt je print ineens “te hard” of te contrastrijk? Zet contrast en verzadiging één klein tikje terug (en check ook je witbalans: een fractie koeler kan al veel rust geven). Papier voegt zélf al karakter toe – jij hoeft alleen te zorgen dat het beeld blijft ademen.

Wil je stap-voor-stap zien hoe je van scherm naar een voorspelbare Fine art print gaat, lees dan De kunst en techniek van de perfecte Fine art print.

Web

  • Export gerust rond 3000–4500 px lange zijde: scherp genoeg, niet te zwaar. 
  • Gebruik lichte output sharpening (een klein beetje verscherping bij export), maar hou het zacht. 
  • Kijk je serie terug op telefoon én groot scherm: wat op mobiel druk lijkt, kan op groot scherm prachtig ademen.

Wil je dat je ICM-series veilig bewaard blijven en makkelijk terug te vinden zijn, lees dan Zo kan je veilig en slim archiveren als fotograaf.

Van kunst naar toepassing

ICM is vrij en expressief, maar het is ook verrassend bruikbaar zodra je het als sfeerbeeld gaat zien. Omdat het niet alles letterlijk uitlegt, kan het juist heel goed een ruimte, merk of verhaal dragen zonder te schreeuwen. Denk aan hoe mensen in een hotellobby vaak automatisch vertragen als er groot, rustig beeld hangt – je kijkt, je voelt, je blijft even. 

Waar je ICM vaak sterk werkt
 

  • Interieur & print: grote fine-art prints (1–3 panelen) die een ruimte laten ademen. 
  • Design & online: achtergronden voor websites, editorial openers, of covers van boeken – abstract maar met karakter.

  • Creatieve portretten: beweging + een korte flits om het gezicht deels te “bevriezen”, terwijl de rest blijft dansen. 

8) Veelgemaakte fouten – met nabewerking-bril

Als het “net niet” voelt, is het vaak geen grote fout. Meestal is het één schuifje te ver – of één stap overgeslagen.

Afbeelding: ICM foto wat net niet volledig of correct is afgerond bij het nabewerken

Voorbeeld “net niet”: kleurzweem, ruis en veel beweging. Met kleine tikjes maak je het beeld rustiger en leesbaarder.

Herken je dit in je eigen ICM editing en fotografie? Gebruik de checklist hieronder en pas steeds één ding tegelijk aan:
 

  • Te hard → contrast/clarity terug, curve zachter. 
  • Kleur schreeuwt → saturation omlaag, liever vibrance subtiel. 
  • Zanderige strepen → textuur/clarity terug, evt. lichte ruisreductie. 
  • Te vlak → klein beetje contrast + zachte curve, zwartpunt iets dieper. 
  • Serie voelt los zand → kies één toon (warm of koel) en hou die familie gelijk. 

Preset = een opgeslagen startset schuifjes. Niet om blind te plakken, maar als startpunt voor je serie. 

Serietip: gebruik de preset als startblok – houd de basis gelijk en geef per beeld alleen kleine tikjes

9) Eind-oefening: maak een mini-serie (3–5 beelden) + notities

Maak één mini-serie met één sfeer. Niet “alles wat lukt”, maar één verhaal dat samen ademt.
 

  • Kies 3–5 beelden die samen één toon hebben. 
  • Geef ze dezelfde basis: vergelijkbare witbalans en contrast. 
  • Noteer per beeld: je instellingen, je gevoel, en één edit-keuze die het verschil maakte. 
  • Geef je serie een titel in één zin. Dat dwingt je om je eigen beeldtaal te herkennen. 

Zo groeit je handschrift: niet door één perfecte foto, maar door herhaling en bewuste nuance. 

Afsluiting van de serie over ICM

In deel 1 begon je met loslaten en houvast. In deel 2 nam je je ritme mee naar buiten. En nu – in deel 3 – maak je het af: je veeg wordt leesbaar, je kleur wordt sfeer, je beelden worden een serie. 

👉 Teruglezen: Deel 1 – wat is ICM en hoe begin je?

👉 Teruglezen: Deel 2 – bewegingen en licht in de praktijk

Deel je resultaten (3–5 beelden) en je instellingen erbij – jouw beweging is je handschrift. Deel je foto's gerust met de hashtag #ICMStarter. 

Je adem wordt tempo, je tempo wordt lijn, je lijn wordt beeld – en je beeld wordt jouw handschrift. 

afbeelding van wouter.clipboardmedia_118913

Redactie digifoto Starter | Redacteur

Bekijk alle artikelen van Redactie