Van negatief tot afdruk: zwart-witfilms ontwikkelen in de doka

Redactie digifoto Starter 1634

Fotograferen op film is in. Het ontwikkelen van je eigen films is de eerste stap, het afdrukken een tweede. Maar als je het echt goed wilt doen, dan moet je een beetje werken zoals Ansel Adams. 

Dit artikel is geschreven door Dré de Man en gepubliceerd in DIGIFOTO Pro 2.2020. Wil je meer weten over analoge fotografie? Lees: DIGIFOTO Pro 1.2023

Voor de eerste foto door Niépce in 1826 was een belichtingstijd van meer dan acht uur nodig. Het ‘film’-materiaal was asfalt. Daguerre correspondeerde met Niépce in geheimtaal over zijn uitvinding en ontwikkelde uiteindelijk een nieuw procedé dat 60 tot 80 keer kortere belichtingstijden mogelijk maakte (nog steeds zes minuten bij zonlicht!). Daguerre stelde daartoe eerst een zilveren (of verzilverde) plaat bloot aan chloordamp. Daardoor ontstond zilverchloride. Na belichting ontstond daardoor een latent (onzichtbaar) beeld dat hij zichtbaar maakt door de plaat bloot te stellen aan kwikdamp. Bij de belichting wordt namelijk maar een enkel zilverchloride molecuul omgezet in zilver en die paar minuscule zwarte puntjes zie je niet. Door het ontwikkelen neemt het aantal moleculen dat omgezet wordt in zilver plaatselijk sterk toe, zodat je een zichtbare zwarting krijgt. Dat geeft eigenlijk een negatief beeld, maar als je de spiegelende plaat onder de juiste hoek bekeek, leek het positief.

Eigenlijk doen we het nog steeds zo, zij het met wat andere stoffen en stappen en in plaats van het spiegeleffect maken we gewoon een afdruk. Maar we hebben nog steeds te maken met een kiem van een enkel zilvermolecuul dat door ontwikkeling zich flink uitbreidt. Afhankelijk van de manier van ontwikkeling wordt het beeld donkerder en krijg je grovere klonters (korrel) met zwart metallisch zilver. 

De zilverhalogeniden groeien in speciaal gevormde kristallen van verschillende grootte (zo kun je verschillende contrasten weergeven en wordt de gevoeligheid hoger. Er worden nog andere stoffen aan de filmemulsies toegevoegd, bijvoorbeeld om de kleurgevoeligheid van blauw tot groen en rood uit te breiden (panchromatische films). Ook de ontwikkelaars zijn sterk veranderd, maar alweer, aan het principe doet dat niets toe of af.Je zou verwachten dat het contrast bij geforceerde ontwikkeling erg oploopt. Dat is op deze foto deels ook het geval, maar de lichte partijen zitten al in de schouder van de sensitometrische curve, zodat deze een minder hoog contrast hebben dan de rest van de foto. Dat is goed te zien aan de huidskleur en het oogwit: deze verschillen nauwelijks qua lichtheid. In werkelijkheid was daar een duidelijk verschil te zien. 

Waar een negatief belicht is, wordt het na de ontwikkeling zwart. Daarom is het beeld negatief. Bij het afdrukken gebruiken weer fotografisch papier dat bij belichting ook zwart wordt. De lichten op in de werkelijkheid worden zwarte delen op het negatief en houden het licht bij het afdrukken tegen dus op de afdruk worden ze weer licht. Van het negatief ontstaat op de afdruk een positief beeld. De schaduwen zijn licht op het negatief en weer donker op de afdruk. 
Je begrijpt nu dus waarschijnlijk ook dat wanneer je langer ontwikkelt, het beeld op het negatief donkerder wordt; de lichtgevoeligheid neemt toe. Omdat alle chemische processen sneller gaan bij een hogere temperatuur, is die ook van grote invloed. Meer beweging tijdens het ontwikkelen eveneens en uiteraard ook de verschillende stoffen die voor het ontwikkelen gebruikt worden.

Het ontwikkelproces wordt daarom na een in tabellen aangegeven tijd gestopt met stopbad en daarna wordt het beeld gefixeerd. We hebben immers zwart metallisch zilver, maar ook nog steeds niet belichte zilververbindingen. Deze zouden onder invloed van licht zonder ontwikkeling weliswaar een heel lange belichting nodig hebben, maar na een paar dagen dag zou zo’n beeld helemaal zwart worden. Fixeren zorgt ervoor dat het nog niet belichte zilver verwijderd wordt voordat het licht aangaat. 

Praktijk

Tot zover de theorie. In de praktijk kun je dus de chemische reacties worden beïnvloed door de temperatuur, door het contact met de chemicaliën onder invloed van de beweging van de film en door de tijd dat film in de ontwikkelaar zit en door het soort ontwikkelaar. Je kunt de zwarting van een film nameten en daar kun je dan weer grafieken van maken, dat is dan sensitometrie, ene soort gevoeligheidsleer. Dat levert dan uiteindelijk een logaritmische grafiek op, die er zo uitziet: 

Lees ook: Polaroidfoto's, hoe werkt het en waarom is het (weer) zo populair?

Grafiek filmbelichting

Van boven naar beneden zie je de belichting, van links naar rechts de zwarting. Valt je daarbij iets op? Als je wel eens met photoshop gewerkt hebt, dan herken je in de grafiek de vorm van een curve in Photoshop. Alle basiselementen van Photoshop komen hetzij uit de sensitometrie, hetzij uit de donkere kamer.

Bij die curve zijn drie dingen belangrijk: hoe steil de lijn verloopt (de hoek noemen we wel gamma), de voet (onderaan) en de schouder (bovenaan). De lijn verloopt volgens dezelfde hoek (gamma) recht, maar onderaan en bovenaan vlak hij af en helemaal aan het begin en aan het eind stopt hij. Meer en minder licht heeft dan dus geen effect meer, dat ziet de film niet. Ansel Adams onderscheidt in zijn zonesysteem tien zones plus helemaal zwart, dus in de prakrijk heb je ongeveer elf stops dynamiek. Puur theoretisch zou je met heel veel moeite tot veertien stops kunnen komen, maar dan moet je het negatief inscannen en digitaal verwerken en dan nog zie je hele weinig in de schaduwen en de lichtste partijen. Elf stops dus, in de praktijk. Dat is minder dan bij RAW, laat staan bij het gebruiken van HDR. Je moet dus bij het fotograferen met film en bij de ontwikkeling ervan, wel degelijk heel erg goed op de belichting en het contrast letten! Dat betekent dat onderaan en bovenaan het contrast lager is: de film wordt minder snel zwart. Normaal gebruik je het rechte deel van de curve. Onderbelicht je, dan ga je dus een lager deel van de lijn gebruiken inclusief de voet. Dan krijg je schaduwen met laag contrast. Overbelicht je dan gebruik je het onderste deel van de rechte lijn niet en in plaats daarvan juist een deel van de schouder. Nu krijg je lichte tinten met laag contrast, de lichten springen er niet meer uit. Belicht je bij een normaal onderwerp goed, dan blijf je op het rechte deel. Heb je echter een onderwerp met een heel groot contrast, dan komen de lichtste en donkerste delen alsnog op de voet en worden de lichtste en donkerste delen voorzichtig behandeld en hebben nog net doortekening. Ben je eenmaal aan het eind van de voet of de schouder, dan houdt het echt op; het beeld wordt dan niet meer lichter of donkerder.

AnselAdams

Toch valt daar iets op te verzinnen: als je korter (of kouder) ontwikkelt, dan verloopt de curve minder steil. Je krijgt dan dus minder contrast maar het rechte gedeelte wordt ook veel langer. Nu kun je dus een groter verschil tussen licht en donker weergeven. De gevoeligheid neemt echter af; je moet dus dan langer belichten. Een voordeel is weer dat de korrel ook kleiner wordt, het beeld ziet er fijner uit.
Het omgekeerde kan ook: je kunt ook langer ontwikkelen. Nu wordt het contrast groter maar de donkerste tinten worden veel lichter en de lichtste worden heel licht. Je hebt dus minder speling maar je kunt korter belichten. De korrel wordt nu grover. Je kunt wel tot vijftig procent minder gevoeligheid ontwikkelen en minimaal tot 400 procent meer. De meester in deze was de landschapsfotograaf Ansel Adams. Hij ontwikkelde een systeem, waarbij je bij de opname ging meten hoeveel stops het contrast was, daar de belichting op afstemde, maar ook de filmontwikkeling (hij werkte met grote technische camera’s die voor iedere foto één apart negatief gebruikten, vlakfilms).

Met een kleinbeeldcamera kun je dat zo niet doen. Je hebt dan twee mogelijkheden. De ene is, dat je de film na een paar soortgelijke opnamen meteen ontwikkelt, of dat je er een stukje vanaf knipt in de donkere kamer en dat stukje alleen ontwikkelt. Op die manier werkt je dus nog steeds zoals Ansel Adams.

Multigrade

Maar er is ook nog een andere methode. Het maken van een afdruk geeft je een tweede kans om het contrast te beïnvloeden. Deze keer niet door langer of korter te ontwikkelen, maar door het gebruik van papier met  verschillend contrast. Het kopen van alle verschillende gradaties in allerlei verschillende maten papier is vrij ondoenlijk, ook al omdat fotopapier een beperkte levensduur heeft. Ilford heeft daarom Multigrade papier ontwikkeld. De huidige versie bestaat uit drie verschillende emulsies. Ze hebben alle drie een verschillende gevoeligheid hebben voor groen licht (zilverbromide is van nature alleen gevoelig voor blauw licht). Bij het afdrukken maak je gebruik van blauwe of juist groene filters in de vergroter, of van ene kleurvergroter. Zo kun je dan het contrast sturen. 

Als je naar de grafiek kijkt, zie je dat er een enorm verschil is tussen de zachtste (00 en de hardste gradatie (5). Ik heb er zelf heel veel foto’s mee afgedrukt en in combinatie met een gewone of desnoods aangepaste filmontwikkeling, kun je zo het contrast heel goed naar je hand zetten.

Doordrukken en tegenhouden

Behalve het aanpassen van de filmontwikkeling en de keuze van de gradatie van het papier is er nog een derde manier om het contrast te beheersen. Ansel Adams maakte gebruik van zijn zoneysteem, maar ook van deze methode. Hij gebruikte dus allebei.
Adams ging zelfs zover dat hij zei: het negatief is de partituur, de afdruk is de uitvoering. Die vergelijking heeft betrekking op klassieke muziek, waarbij de in de partituur alle noten zijn genoteerd. Laat je ze door een computer spelen, dan heb je nog steeds geen muziek, want daarvoor heb je het gevoel van de uitvoerende muzikanten nodig. Het afdrukken is dus een kunst op zich, net als het spelen van een vioolconcert. Dat houdt ook in, dat je van dat negatief heel verschillende afdrukken kan maken. Maar hoe doe je dat?
Het principe is dat je het blad fotopapier gewoon belicht, zodat de foto er goed uitziet, op een paar moeilijke plaatsen in het beeld na. Die geef je dan extra licht (dan worden ze donkerder, bijvoorbeeld de hemel) of juist minder, dan blijven ze iets lichter (dat doe met gezichten bij tegenlicht bijvoorbeeld).  Extra licht geven noem je doordrukken. Doordrukken houdt in dat je na de gewone belichting een blaadje karton met een gat erin onder lens van de vergroter beweegt. Op die manier geef je extra licht op een bepaalde plaats in het beeld en die wordt dus donkerder. Tegenhouden is het omgekeerde: een stukje karton met een ijzerdraad eraan houd je eveneens onder de lens tijdens de gewone belichting, dus nu krijgt een deel van het beeld minder licht en wordt dus minder donker. Omdat je het beweegt wordt het dunne draadje niet zichtbaar. Je kunt het ook met je handen doen, maar het is heel moeilijk om dat iedere keer weer hetzelfde te doen. Klinkt misschien ingewikkeld, maar als je het uitprobeert, wijst het zich vanzelf. Adams had een hele reeks van papiertjes en kartonnetjes en schreef een hele serie van handelingen op die hij uitvoerde. Op die manier wist hij zeker dat hij alles constant hield op één ding na. De meeste mensen doen het een stuk simpeler dan Adams, en beperken het tot de hemel, die ze donker maken. In de jaren zeventig was dat zo populair dat het nu lijkt alsof het altijd onweerde in die jaren. 

Op de foto, gemaakt voor NRC Handelsblad, Prof. Jessurun d'Oliveira die in de jaren tachtig processen won tegen de kalimijnen in Frankrijk. Typisch voorbeeld van reportagewerk uit die jaren. Het doordrukken is goed te zien aan de schoorsteen links, die onderaan grijs is, maar al snel zwart wordt ten gevolge van het doordrukken.

Film ontwikkelen in tien stappen

In een film zitten verbindingen van zilver met halogenen, meestal een mengsel van zilverbromide en zilverchloride. Bij belichten wordt een enkel zilverhalogenidemolecuul weer omgezet in zilver. Door te ontwikkelen worden dat er heel veel en ga je een beeld zien. Het luistert allemaal nogal nauw: met langer ontwikkelen verhoog je de gevoeligheid en het contrast. Een paar graden warmer heeft hetzelfde effect. Te veel bewegen: idem dito. Ook de concentratie van de ontwikkelaar is van belang. Kortom: je krijgt een heleboel kansen om je foto’s te laten mislukken als je niet oplet. Het ontwikkelen van een film bestaat uit tien stappen:

  1. Chemicaliën klaarzetten, eventueel verdunnen en op temperatuur brengen. Let erop dat je alles klaar zet en dat je ook in het donker bij het inspoelen alles goed op de tast kunt vinden. Zet vooral geen vloeistoffen in de buurt van de plaats waar je gaat inspoelen, want die gooi je mogelijk om.   
  2. Filmpje inspoelen. De ontwikkeltank heeft één of meer spoelen en daar moet het filmpje in gepoeld worden, op een zodanige manier dat de verschillende wikkelingen steeds dezelfde afstand houden. Ook mag je de film niet knikken, want op de knik krijg je een lelijke witte rand. Je steekt de film aan het begin in de spoel totdat je voelt dat hij hem pakt. Daarna draai je de spoel aan de linker en rechterkant steeds naar voren en terug. Er zit een kogeltje in de spoel die de film steeds aan één kant vastpakt en weer loslaat. Dat inspoelen moet wel in het donker gebeuren uiteraard. Wanneer je een donkere kamer hebt is dat handig, maar dat kun je in de meeste huizen heel goed op het toilet doen, al zittend. Let wel op, want mij is het wel eens gebeurd dat zo’n filmpje in de plee viel. Niet alleen is het tamelijk smerig om in zo’n toilet te gaan graaien, doordat de film de vloeistof opzuigt is de kans groot dat de ontwikkeling mislukt. Wil je dat soort risico’s vermijden, koop dan een wisselzak. Ook handig bij het uit de camera halen van een half-belicht filmpje. TIP: Oefen het inspoelen met een oud filmpje een paar keer in het licht, totdat je het met je ogen dicht kan.
  3. Dan de ontwikkeling. Je giet de ontwikkelaar vrij snel in het tankje, doet de deksel erop en kiept meteen twee keer. Daarna (afhankelijk van de gebruiksaanwijzing van ontwikkelaar) een keer per hele of halve minuut. Minder bewegen geeft scherpere foto’s met minder korrel, maar de kans op oneffenheden is groter.
  4. Je giet de ontwikkelaar weg (of terug) en giet stopbad in de tank. Uiteraard giet je de ontwikkelaar niet door de gootsteen, analoog fotograferen is al milieuvervuilend genoeg.
  5. Het stopbad dient om de ontwikkelduur te stopen, vooral daar waar nog wat overblijvende druppels ontwikkelaar op de film zijn achtergebleven.
  6. Nu wordt het nog overblijvende onbelichte zilver uit de film gehaald. Dat doe je door hem te fixeren. 
  7. Nu moet je de fixeer er weer uitspoelen anders krijg je alsnog gele vlekken. Omdat de zilverzouten zwaarder zijn dan water, moet je het wel goed doen. De waterstraal moet bijvoorbeeld precies in het midden van de opening van de tank naar binnen gaan. Een paar leer legen van de tank helpt ook.  De temperatuur van de spoeling hoeft niet precies hetzelfde te zijn, maar zeker in de winter kun je geen onverwarmd kraanwater gebruiken: je krijgt dan reticulatie; een lelijk patroon.
  8. De laatste handeling is het dopen van de film in een soort zeepsop, wetting agent. Daardoor loopt het water beter van de film af als hij hangt te drogen en je krijgt geen kalkvlekken.
  9. Nu hang je hem rustig te drogen. Föhnen mag, maar kijk uit dat de film  niet te warm wordt.
  10. Film is nogal krasgevoelig. Zo gauw de film droog is, kun je hem het best in strookjes knippen en in een negatievenblad stoppen.

Afdrukken in negen stappen

  • Zet de bakken met ontwikkelaar, stopbad en fixeer klaar en doe het gewone licht uit en de dokaverlichting aan. 
  • Stop het negatief met de glanzende kant boven in de negatiefhouder. Blaas het met een blaaskwast zo veel mogelijk stofvrij.
  • Schakel de verlichting van de vergroter in, draai het diafragma van het vergrotingsobjectief op de grootste waarde in (f/4 of f/2.8)  en draai aan de onderste knop van de vergroter (bij de lens) om scherp te stellen. Is het beeld nu kleiner dan het papierformaat, draai dan de vergroter hoger (draaiknop bij de vergroter) en stel opnieuw scherp. Is het beeld te groot, dan natuurlijk omlaag. 
  • Stel het diafragma van de vergrotingsobjectief in op f/8 of f/11 en draai de rode filter onder het objectief). Knip wat strookjes fotopapier en leg die op de juiste plaats. Zorg ervoor dat zowel de donkerste als het lichtste dele van het beeld te zien is, en gebruik desnoods meer strookjes. Doe het licht van de vergroter uit, draai het filter weg en belicht die met verschillende belichtingstijden: 5, 10 en 15 s bijvoorbeeld. 
  • Ontwikkel ze en bekijk met licht aan (papier opbergen!) welke strook de juiste belichting heeft.
  • Kijk nu naar de plaatsen waar je zou willen doordrukken en tegenhouden. Probeer dat ook uit met de strookjes. 
  • Als je denkt dat de belichting klopt, maak dan een hele afdruk en kijk of die helemaal naar je zin is controleer of de belichting ook overal in beeld klopt. 
  • Spoel de foto goed en droog het papier maar niet te warm, zodat het niet gaat krullen.
  • Retoucheer met fijne penseeltjes witte vlekjes van eventuele zichtbare stofjes.

Dit artikel is geschreven door Dré de Man en gepubliceerd in DIGIFOTO Pro 2.2020. Wil je meer weten over analoge fotografie? Lees: DIGIFOTO Pro 1.2023

afbeelding van Redactie

Redactie digifoto Starter | Redacteur

Bekijk alle artikelen van Redactie