Snelgids: camera-instellingen

Snelgids: camera-instellingen

Senta Bemelman 1133
Wat is diafragma, sluitertijd en iso precies en welke instelling kun je het beste kiezen voor bepaalde onderwerpen? We zetten de basisbegrippen op een rij.

Diafragma

Het diafragma bepaalt de hoeveelheid licht die op de sensor valt en de scherptediepte van je foto. Een foto waarin het onderwerp scherp is en de achtergrond wazig wordt weergegeven (bijvoorbeeld een portret) heeft een kleine scherptediepte. Een foto die van voor tot achter scherp is (bijvoorbeeld een landschapsfoto) heeft een grote scherptediepte. Het diafragma wordt aangeduid met een f-getal: een laag getal zoals f/3.5 (grote opening) geeft een kleine scherptediepte. Een hoog getal zoals f/11 (kleine opening) geeft een grote scherptediepte.


Met een korte sluitertijd bevries je het moment.

Sluitertijd

Met de sluitertijd stel je in hoeveel licht er op de sensor kan vallen. Daarnaast is de sluitertijd bepalend voor de beweging in je foto. Is je foto te donker? Dan is er te weinig licht op de sensor gevallen en kun je dat oplossen met een langere sluitertijd. Bij een langere sluitertijd loop je wel het gevaar dat je foto bewogen raakt. Je kunt een statief gebruiken om je camera stil te houden, maar als je onderwerp beweegt, dan zal het onderwerp bewogen op de foto komen. Zeker bij snelle bewegingen zoals bij sportfotografie is het belangrijk om de sluitertijd kort te houden.


Met een lange sluitertijd kun je beweging weergeven in je foto’s.  

ISO

De iso-waarde bepaalt de gevoeligheid van de sensor. Hoe lager de iso-waarde (bij de meeste camera’s is iso 100 de laagste waarde), hoe beter de beeldkwaliteit. Hoe hoger de iso-waarde, hoe meer ruis er in je foto komt. Binnenshuis, in de schemer of ‘s avonds zal je een hogere iso-waarde moeten gebruiken als je nog scherpe foto’s wilt maken. Kies in deze situaties een lage iso-waarde, dan heb je een lange sluitertijd nodig en worden je foto’s bewogen als je geen statief gebruikt. Veel camera’s hebben een automatische iso-stand, waarin de camera zelf de optimale gevoeligheid kiest.

Welke stand en waarom?

Spiegelreflexcamera’s, compacte systeemcamera’s en geavanceerde compactcamera’s beschikken over diverse programmastanden. Vaak vind je deze op een ronde knop bovenop de camera, of via het scherm in het menu. We schetsen een aantal situaties waarin je de diverse standen kunt gebruiken. Auto In de automatische stand doet de camera al het denkwerk. Je kunt je zo volledig concentreren op de inhoud van de foto en je hoeft alleen maar op de ontspanknop te drukken.

P: Programma-stand
Net als in de automatische stand kiest de camera in de P-stand (Program) het diafragma en de sluitertijd uit, maar je kunt zelf de iso-waarde kiezen.

A (of Av): Diafragmavoorkeuze
In deze stand kies je zelf het diafragma en rekent de camera de benodigde sluitertijd uit. Deze stand kun je gebruiken voor portretfotografie (groot diafragma voor een kleine scherptediepte) en landschapsfotografie (klein diafragma voor een grote scherptediepte).

S (of Tv): Sluitertijdvoorkeuze
Deze stand gebruik je als je controle wilt krijgen over de beweging in je foto. Kies bij sportfotografie een snelle sluitertijd (bijvoorbeeld 1/1000e seconde) om de beweging te bevriezen. Wil je de beweging van het onderwerp laten zien, kies dan een langzame sluitertijd (bijvoorbeeld 1/30e seconde).

M: Alles handmatig
In de M-stand (Manual) stel je handmatig het diafragma en de sluitertijd in. Hierdoor krijg je volledige controle over zowel de scherptediepte (diafragma) als de beweging (sluitertijd) in je foto. Deze stand komt goed van pas bij studiofotografie of andere onderwerpen waarbij het licht constant is.

Digifoto Starter 2. 2015

Deze snelgids komt uit digifoto Starter 2.2015.  Je kunt deze editie (of andere voorgaande nummers) los bestellen voor €7,95 incl. verzendkosten (Nederland).

afbeelding van Senta Bemelman

Senta Bemelman | Redacteur

Bekijk alle artikelen van Senta