Basiscursus: Experimenteren met sluitertijden - Deel 4

Julian 7900
Zodra je met de handmatige instellingen van je camera gaat experimenteren gaat er een wereld vol nieuwe mogelijkheden open. Een belangrijke instelling is de sluitertijd. Met behulp van hele lange of juist hele korte sluitertijden kun je bewegingen op bijzondere manieren in beeld brengen. Wij laten je zien hoe en geven je tips voor spectaculaire foto’s.

Bewegingen bevriezen met korte sluitertijden

Door juist een hele korte sluitertijd te gebruiken kun je snelle bewegingen bevriezen. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij sportfotografie. Zo zie je op actiefoto's van bijvoorbeeld voetbalwedstrijden wel eens de grassprieten van de bal afspringen en de zweetdruppels van de hoofden van de spelers spatten. Fotografeer je een snel voorwerp, dan heb je een snelle sluitertijd nodig om dit haarscherp in beeld te brengen. Ook de zoomfactor is van belang. Zoom je ver in op je onderwerp, dan worden alle bewegingen uitvergroot en heb je een snellere sluitertijd nodig dan wanneer je met een groothoeklens bijvoorbeeld een raceauto fotografeert.

Bij een snelle sluitertijd moet je camera in hele korte tijd genoeg licht vangen om de foto te maken. Daarvoor heb je veel licht nodig. Door de iso-waarde van je camera op te schroeven, verhoog je de lichtgevoeligheid van de sensor. Hierdoor kun je snellere sluitertijden gebruiken, maar er komt wel meer ruis in je foto's. Ook door het diafragma te openen valt er meer licht op de sensor. Sportfotografen gebruiken daarom peperdure lenzen met grote diafragma's van f/2.8 of zelfs f/2, zodat ze zelfs 's avonds in een stadion met snelle sluitertijden kunnen fotograferen zonder de iso-waarde veel te moeten verhogen.

Overdag heb je aan een iso-waarde van 400 of 800 meestal al genoeg om een razendsnelle sluitertijd van 1/2000e of 1/4000e seconde te bereiken met een gewone kitlens.


Met een snelle sluitertijd kun je bewegingen bevriezen. In deze foto zijn alle druppels van het opspattende water haarscherp in beeld gebracht met een sluitertijd van 1/4000e seconde. Voor een snelle sluitertijd heb je véél licht nodig.

Meetrekken

Een snelle sluitertijd is niet altijd de beste keuze bij sportfotografie. Fotografeer je bijvoorbeeld een racewagen die razendsnel aan je voorbij- gaat met een sluitertijd van 1/2000e seconde, dan levert dat een statische foto op zonder beweging. Beter kun je in zo’n situatie kiezen om te ‘pannen’, de Engelse benaming van een techniek waarbij je terwijl je de foto maakt de camera meetrekt met het onderwerp.

Gebruik hiervoor een niet al te snelle sluitertijd, bijvoorbeeld 1/125e seconde. Volg nog voordat je de foto maakt het onderwerp door de camera, op het moment dat het onderwerp volledig in beeld is druk je af, terwijl je de camera mee blijft trekken. Als alles goed gaat heb je nu een foto met een scherp onderwerp en een onscherpe achtergrond. Deze techniek vergt wel flink wat oefening voordat je ‘m perfect beheerst.

Experimenteer met diverse sluitertijden en oefen bijvoorbeeld eens langs de weg. Bij langzame onderwerpen (fietsers of langzaam rijdende auto’s) gebruik je een langere sluitertijd van bijvoorbeeld 1/50e seconde. Voor snellere bewegingen kun je af met een kortere sluitertijd, bijvoorbeeld 1/250e seconde.


Deze foto is gemaakt met een snelle sluitertijd van 1/2000e seconde. Daardoor zit er weinig gevoel van snelheid in de foto, alles is scherp. Bij motor- en autoraces (maar ook bij andere snelle sporten) kun je de meetrek-techniek gebruiken om meer snelheid in je foto's te krijgen.


Voor deze ‘meetrekfoto’ is een sluitertijd van 1/60e seconde gebruikt. Ondanks dat de auto niet heel snel reed zit er toch een flink gevoel van snelheid in de foto.


Door de camera mee te trekken met het onderwerp krijg je een gevoel van snelheid in de foto omdat de omgeving onscherp wordt weergegeven. Je kunt het ook omdraaien: gebruik een iets langere sluitertijd en beweeg de camera niet tijdens de opname. Beweegt je onderwerp snel door het beeld, dan komt het bewogen op de foto. De sluitertijd die je hier voor nodig hebt hangt af van de snelheid van het onderwerp. Met 1/30e of 1/60e seconde krijg je bij een voorbijrijdende auto al flink wat beweging in de foto.

Lees verder

Klik op onderstaande links voor de overige delen van deze basiscursus.

Basiscursus: Experimenteren met sluitertijden - Deel 1
Basiscursus: Experimenteren met sluitertijden - Deel 2

Basiscursus: Experimenteren met sluitertijden - Deel 3